EXPERTEN HEBBEN HEEL WAT VRAGEN BIJ RFI STAD ANTWERPEN

Vorige week werd, na lang aandringen, een gedeeltelijk onleesbaar gemaakte versie van het RFI rapport ter beschikking gesteld aan ISVAG. Naast de definitieve versie van 14 januari 2020 werden ook drie kladversies van december 2019 gedeeld. Nadat ISVAG kennis heeft kunnen nemen van het eindrapport van de RFI, heeft de directie gedaan wat ook in voorgaande jaren steeds is gebeurd: aan experten werd opdracht gegeven om de RFI grondig te analyseren. Op basis van hun bevindingen komt ISVAG nu eenduidig tot de conclusie: de plannen om een nieuwe installatie te bouwen blijven overeind.

De experten die werden geconsulteerd zijn:

 

– Dr. Ing. Peter Quicker, professor aan de Technische Universiteit Aken, vakgroep voor grondstoffen- en afvalverwerkingstechnologie

– Dirk Van Den Broeck, bedrijfsrevisor en partner bij Grant Thornton Belgium

Er is geen technisch beter alternatief voor de plannen van ISVAG

Eigenlijk behoeft dit argument weinig bijkomende commentaar, aangezien het in de RFI ook letterlijk zo wordt gesteld. Er zijn hoogstens gelijkaardige alternatieven. Alle voorstellen zijn immers gebaseerd op dezelfde technologie als ISVAG.

ISVAG heeft haar plannen steeds uitvoerig onderbouwd met studies en adviezen én bijkomend laten toetsen door een externe wetenschappelijke adviesraad met professoren uit Vlaanderen, Scandinavië en Duitsland. Bij de vergunningsaanvraag bleken 11 van de 12 adviezen positief.

Professor Quicker stelt zich wel vragen bij de vergelijking die in de RFI gemaakt wordt van de rookgasreinigingssystemen: “Hanteren de privébedrijven waarnaar men verwijst dezelfde strenge rookgaswassing als ISVAG om de emissies zo laag mogelijk te houden? In de RFI staat alvast duidelijk vermeld dat 2 van de 3 aanbieders een SCR overbodig vinden. Dit heeft onvermijdelijk een impact op de luchtkwaliteit. Eigenlijk is er maar één belangrijke conclusie: watervoorziening en verwerking van huishoudelijk afval zijn levensnoodzakelijk publieke taken. Die wil je niet in privéhanden geven.”

Er is geen goedkoper alternatief voor de plannen van ISVAG

In de conclusies vermeldt de RFI dat de privébedrijven het restafval 13 tot 20 €/ton goedkoper kunnen verwerken dan ISVAG. Alle informatie over hoe deze berekening tot stand is gekomen, werd in het RFI document dat ISVAG ontving onleesbaar gemaakt.

Dirk Van Den Broeck stelt vast dat het moeilijk is om een objectieve vergelijking te maken: “In de ontvangen RFI studie werden nergens cijfers kenbaar gemaakt. In de pers wordt gesproken over grote prijsverschillen, maar deze blijken niet uit de aangeleverde stukken. ISVAG is een intergemeentelijk samenwerkingsverband, dat een voorschot van gatefee opvraagt aan haar vennoten, en bij het einde van het jaar een creditnota hierop toekent op basis van de werkelijk gemaakte kosten. Deze creditnota kan zeer hoog oplopen. Uit de aangeleverde teksten blijkt nergens een winstdeelname of creditnota aan de Stad. ISVAG heeft bovendien haar financieel plan opgesteld op basis van een conservatieve methodiek, om nadien niet geconfronteerd te worden met een vraag naar prijsverhoging aan de vennoten. Voor de financiering ging men uit van een sterk dossier voor de Europese Investeringsbank, rekening houdend met mogelijk 10% contingencies aan investeringen. Bij de opstelling van de investeringskosten (capex) werd in het initiële voorstel rekening gehouden met een termijn van 15 jaar (de looptijd van de intergemeentelijke vereniging en de looptijd van de lening). Een ander belangrijk aspect is het feit dat ISVAG, als opdrachthoudende vereniging geen BTW aanrekent op de door haar verrichte activiteiten (afvalverwerking) aan de stad en gemeenten. Wij begrijpen dat alle andere partijen, als privébedrijven, wel BTW dienen aan te rekenen op hun activiteiten. In dat opzicht is de door de andere partijen aangerekende BTW een kostprijsverhogend element dat door de stad/gemeenten ten laste dient genomen te worden, aangezien deze in principe geen recht op aftrek van de aangerekende BTW hebben. Op de personeelskost en financiële kosten is de impact hiervan 10,42€ of 10% van de netto gatefee. Uit de prijsvergelijkingen kan men niet opmaken of VITO rekening heeft gehouden met deze elementen.”

Nog een belangrijk element in de kostprijsbepaling is het element van de aanvoer. Restafval van 1 miljoen mensen in het werkingsgebied van ISVAG naar de haven transporteren is niet alleen moeilijker, maar bovenal ook duurder. De RFI concludeert immers dat hiervoor vrijwel zeker een overslag noodzakelijk zal zijn. ISVAG heeft de bouw en exploitatie van een overslagstation destijds zelf laten onderzoeken en kwam op prijs van 20 tot 30 €/ton. Dit prijsverschil werd in de RFI niet meegerekend.

Samenvattend stelt Dirk Van Den Broeck vast dat een verhuis niet zal resulteren in een besparing van 13 tot 20 €/ton, maar een aanzienlijke meerkost voor de vennoten: “Als we rekening houden met de impact van de BTW (10,42 €), de aangepaste termijn voor ISVAG (12,17 €) en de kost voor de overslag (20 tot 30 €), dan bekomen wij een meerprijs voor de alternatieve aanbieders ten opzichte van de ISVAG-prijs van 35 tot 42 €/ton. Daar bovenop komt nog een te verwachten meerkost voor de warmteopwekking voor de huidig geplande regio Ter Beke en Nieuw Zuid.”

Ook professor Quicker is van oordeel dat het argument over de kostprijs ongegrond is: “Dat privébedrijven in de haven een lagere gatefee kunnen voorstellen komt mij als zeer onwaarschijnlijk over. Een privébedijf moet winst maken. Dit gaat bijna zeker ten koste van emissies en bescherming van het milieu. Enkel en alleen al de impact van wel of geen SCR is aanzienlijk. Op die manier is deze RFI zichzelf eigenlijk een rad voor ogen draaien.”

 

Er is geen beter alternatief voor de locatie van ISVAG

Dat een locatie in de haven leidt tot hogere kosten werd hierboven reeds aangehaald. In verschillende studies werd daarnaast veelvuldig het potentieel van huidige ISVAG locatie aangetoond: niet alleen voor de aanvoer van het afval, maar ook voor de uitkoppeling van energie. Bovendien maakt de ligging naast het waterzuiveringsstation dat ISVAG geen leiding- of grondwater hoeft te gebruiken als proceswater. In de leidingenstraat, die vlak naast de site loopt, kan in de toekomst CO2 of waterstof in de leidingen worden geinjecteerd.

Uit de RFI blijkt dat de alternatieve aanbieders liever stoom willen leveren aan een multinational in de haven omdat dit interessanter zou zijn dan warmte te leveren aan woningen en lokale bedrijven. Stoom leveren op basis van afval houdt grote risico’s in – technisch én commercieel – zowel voor de afvalverwerker als voor die industriële afnemers. En dat terwijl ISVAG intussen concreet werk heeft gemaakt van haar warmtenet én afnemers heeft die staan te popelen om aan te sluiten.

Ook professor Quicker vindt een verhuis naar de haven geen goed idee: “Ik blijf na het lezen van de RFI achter met de indruk dat men met geweld de afvalverbranding naar de haven wil verhuizen en ik snap de logica hierachter niet. Zeker niet als je het warmtenet in het zuiden zou gaan voeden met een slibverbrandingsinstallatie voor 160.000 ton waterzuiveringsslib uit heel Vlaanderen, zoals in de RFI wordt voorgesteld. Slib is geen energiebron. Om slib te verwerken heb je een heleboel energie nodig om dit eerst te drogen. Met een slibverbrandingsinstallatie kun je een kringloop op gang brengen die zichzelf in stand houdt – het slib eerst drogen, daarna verbranden – maar veel extra energie blijft er meestal niet over. Als je een slibverbranding bouwt, zorg dan voor twee of drie kleinere installaties die je decentraal inplant. Dit heeft al zin vanaf 50.000 ton/jaar. Op die manier reduceer je de impact van het transport, want met de energie kun je het verschil toch niet maken.”

Voor de buurt is een slibverbrandingsinstallatie hoe dan ook geen goede zaak oordeelt professor Quicker: “Qua emissies en transport kom je op hetzelfde uit als een afvalverbrandingsinstallatie. En een slibverbrander mag dan wel zeer professioneel geëxploiteerd worden, het risico op problemen met hygiëne en geurhinder is absoluut niet denkbeeldig.”

“In tegenstelling tot slib is huishoudelijk restafval een goede brandstof. Het is geen goed idee om je met die goede brandstof in een haven te gaan vestigen waar je afhankelijk wordt van één of enkele afnemers van stoom. Dit lijkt misschien op het eerste gezicht interessant, maar het houdt grote risico’s in. In Beieren werd zo’n installatie gebouwd ten behoeve van de chemische industrie. De afnemers bepalen er wanneer de installatie draait of niet. En wat blijkt: een groot deel van de tijd ligt de installatie stil. Deze business case klopt gewoon niet.”

ISVAG-voorzitter Kristof Bossuyt is tevreden met de analyse van de experten: “Dit is een opsteker voor alle ISVAG-medewerkers én experten die de afgelopen jaren met hart en ziel gewerkt hebben aan onze plannen. Eens te meer is bewezen dat dit een zeer gedegen project is. Het grote potentieel aan vermeden emissies en de bijhorende positieve impact op de luchtkwaliteit in Wilrijk mag niet zomaar genegeerd worden. Universiteit Antwerpen berekende dat de luchtkwaliteit in de buurt tot 10 keer beter af is met ISVAG dan zonder. De eerste fase van het warmtenet kan bij wijze van spreken morgen in gebruik genomen worden. Waarom zou men dat op het spel te zetten voor een onzeker, risicovol, complex en duur project.”