Onderzoekster van UA in Wilrijk: ‘Ruimtereis heeft impact op hersenen’

WILRIJK – Angelique Van Ombergen behaalde vorig jaar in september als FWO (Fonds Wetenschappelijk Onderzoek)-aspirante een doctoraat in de Medische Wetenschappen aan de Universiteit Antwerpen, waar ze momenteel actief is als postdoctoraal onderzoeker op een internationaal project voor ESA (European Space Agency). Zij onderzoekt hoe de hersenen van astronauten zich aanpassen aan een verblijf in de ruimte. Bovendien doet ze onderzoek naar klinische aspecten van het menselijk evenwichtssysteem, op de grens tussen neurowetenschappen, ruimtevaart en klinische problemen. Nu ontdekte ze dat een verblijf in de ruimte een impact heeft op de hersenen van ruimtereizigers. Van Ombergen: ‘Er treden veranderingen op wat grijze en witte stof en wat het hersenvocht betreft.’

Een internationaal team van wetenschappers voerde een uniek onderzoek uit bij Russische kosmonauten. Tien ruimtevaarders werden voor en kort na hun buitenaards verblijf (met een gemiddelde duur van zes maanden) onder de MRI-scanner gelegd, en ook zeven maanden na hun terugkeer werden ze nog een keer onderzocht. ‘We begonnen in 2013 met dit onderzoek. Een dergelijke studie neemt altijd veel tijd in beslag omdat er nu eenmaal maar weinig mensen naar de ruimte trekken.’

De onderzoekers focusten op de hersenen van de kosmonauten. ‘We wilden achterhalen of hun hersenen veranderden na een ruimtereis  en ook nagaan of eventuele veranderingen maanden later nog zichtbaar zouden zijn. We keken daarbij voorlopig specifiek naar de samenstelling, naar de structurele anatomie van het brein. We maakten nog geen analyse van de functionele aspecten.’ Uit de scans genomen kort na hun ruimtereis blijkt dat er heel wat veranderde in het brein van de ruimtereizigers. Doctoraatsstudent Steven Jillings: ‘De hoeveelheid grijze stof, zeg maar de zenuwcellen in ons brein, nam af over de hele hersenen. Ook een analyse van het hersenvocht, dat onder meer de afvoer van afvalstoffen verzorgt en bescherming biedt aan de hersenen, toont wijzigingen aan. Omdat er op de hersenen van kosmonauten geen zwaartekracht inwerkt en er dus meer vloeistof naar het hoofd gaat, is de balans van het hersenvocht verstoord. Dat zien we ook nog na de vlucht.’

Zeven maanden later gingen de ruimtevaarders opnieuw onder de scanner. Peter zu Eulenburg, professor aan de Ludwig-Maximilians-Universität München: ‘De grijze stof was weer ongeveer tot op het niveau van voor de reis geëvolueerd, al waren er nog steeds verschillen. De veranderingen in het hersenvocht zetten zich daarentegen nog steeds verder. Waarom dat gebeurt en wat de eventuele gevolgen zijn voor de kosmonauten moet nog verder worden onderzocht. Uit vroeger onderzoek bleek dat ruimtevaarders op lange termijn met visuele problemen kunnen kampen. Mogelijk is er een link met de door ons vastgestelde veranderingen in de hersenen.’ De studie, waar ook medewerkers van het VisieLab (UAntwerpen) en van de universiteiten van Leuven en Luik aan meewerkten, werd uitgevoerd met de steun van BELSPO (Belgian Science Policy) en van ESA en Roscosmos, respectievelijk het Europese en het Russische ruimtevaartagentschap. De paper verschijnt in het bekende wetenschappelijke tijdschrift New England Journal of Medicine.

Deze zomer nog nam Angelique Van Ombergen deel aan een Mars-simulatie missie in de Lunares habitat in Polen. Gedurende vijftien dagen leefde ze samen met vijf andere internationale onderzoekers om de psychologische effecten van isolatie en ruimtemissies na te gaan. Zij leidde de missie als Commander. (EM)