Vissen met gaatjes door hengelhaken krijgen moeilijker voedsel binnen

WILRIJK – Een gaatje in de kaak door hengelhaken verlaagt de zuigkracht van vissen, waardoor ze moeilijker voedsel binnenkrijgen. Dit werd aangetoond in een nieuwe internationale studie waar ook Sam Van Wassenbergh van de UAntwerpen, campus Drie Eiken in Wilrijk, aan meewerkte.

Om vispopulaties in stand te houden geldt dikwijls de zogenaamde terugzetverplichting voor recreatieve hengelaars. De teruggezette vissen vertonen echter letsels aan de mondrand, veroorzaakt door de haak waarmee werd gevist. Meestal doorboort de haak de huid aan de mondrand en zit de teruggegooide vis met een gaatje in de kaak opgescheept. Sam Van Wassenbergh, bioloog verbonden aan het labo Functionele Morfologie van de Universiteit Antwerpen: ‘Dit gaatje zorgt onvermijdelijk voor een afname in de zuigkracht van de vis. Die zuigkracht hebben vissen nodig om voedsel te kunnen vangen.’ Van Wassenbergh werkte samen met collega’s uit Canada en de Verenigde Staten mee aan een studie, die werd gepubliceerd in The Journal of Experimental Biology.

‘Hoe groter dit gaatje in verhouding tot de grootte van de mondopening, hoe sterker de afname in zuigkracht. Zeker voor kleine vissen is een hengelhaak dikwijls relatief dik. Het zijn net die kleine vissen die veelvuldig worden teruggegooid en daarbij al gauw tot een afname in zuigkracht van meer dan tien procent ondervinden. Dit lijkt misschien niet zo veel, maar voor een vis kan dit het verschil betekenen tussen het net wel of het net niet kunnen vangen van zijn prooien.’ De voorspellingen van de hydrodynamische modellen van Van Wassenbergh werden bevestigd door hogesnelheidsvideobeelden van Canadese zeebaarsjes die kort ervoor werden gevangen met een haak. De maximale snelheid waarmee deze vissen hun prooien naar zich toe zogen, was beduidend lager. ‘Meer onderzoek is echter nog nodig. Hoelang het duurt vooraleer het gaatje dichtgegroeid is en in welke mate dit alles de overleving van de vissen beïnvloedt, is nog niet gekend.’

Sam Van Wasenbergh werkte als postdoctoraal-onderzoeker van het fonds voor wetenschappelijk onderzoek-Vlaanderen van 2006 tot september 2012 aan het Laboratorium voor Functionele Morfologie van de Universiteit Antwerpen en daarna tot september 2015 als post-doc onderzoeksassistent aan de Universiteit Gent in het Evolutionary Morphology of Vertebrates labo. ‘Vanaf juli 2016 behoor ik als post-doc tot de onderzoeksgroep FUNEVOL van het Muséum National D’Histoire Naturelle en vanaf 1 oktober 2017 ook deeltijds in het Funmorph labo in Antwerpen. Mijn onderzoek aan het MNHN spitst zich voornamelijk toe op de biomechanica van het voedselopname-apparaat van vissen. Ik ben in het bijzonder geïntrigeerd door de grote verscheidenheid in kopmorfologie bij deze diergroep. De meest voorkomende manier waarop vissen prooien vangen is door ze in de mond te zuigen. Dit doen ze door het volume van de mondholte plots te verhogen, waardoor water en prooi naar de mondopening worden verplaatst. Hoewel vele vissen deze strategie toepassen heeft evolutie ervoor gezorgd dat er een enorme variatie in grootte, vorm en mechanische eigenschappen voorkomen als we naar de afzonderlijke delen kijken van de kop van een zuig-voedende vis. Beter begrijpen waarom we zulke grote morfologische verscheidenheid zien in het voedselopname-apparaat bij zuigvoeders, ondanks dat ze allen onderworpen zijn aan dezelfde fysische wetten, is het overkoepelende doel van mijn onderzoek. ‘ (EM/afbeelding UA)